Ego-garagist

[Oorspronkelijk geschreven in 2003]

Drie jaar en dertigduizend kilometer eigenaarschap hadden mij intiem vertrouwd gemaakt met mijn Amazon. De meeste bouten had ik wel eens los gehad om één of andere kleinigheid te repareren: een kapotte spanningsregelaar, een tureluurse toerenteller. Een paar meer gedurfde reparaties had ik ook al op mijn actief. Een goeie garagist vinden voor zoín oude auto is trouwens zowiezo niet eenvoudig en bovendien werken de meeste garagisten en carrossiers in dit tijdperk van fast-in-fast-out-garagisme niet graag meer aan oude, economisch waardeloze wagens. Ik was dus niet enkel uit interesse maar ook uit noodzaak mijn eigen garagist.

Als je op jezelf aangewezen bent, moet je in het begin een hoge drempel over, maar proportioneel aan het aantal gelukte reparaties, stijgt ook het zelfvertrouwen. Dit is trouwens een noodzaak: zonder zelfvertrouwen durf je grotere projecten niet aan, ondanks het feit dat deze onontbeerlijk zijn voor het op de weg houden van de auto. Trommelremmen moeten van tijd tot tijd afgesteld worden, en dit uitstellen omdat het trekken van de trommels de eerste keer zo’n opgave is, kan potentieel dramatische gevolgen hebben. Op die manier dicteert de auto wat je volgende leerproject is.

Deze logica volgend heb ik dus gedurende drie jaar meer en meer geleerd hoe “de Volvo” (andere namen heb ik overwogen maar vond ik telkens net niet goed genoeg) in elkaar stak, en naarmate het vertrouwen steeg, durfde ik er ook verder mee rijden. Eerst naar Antwerpen, later naar Gent en Brussel, dan naar Francorchamps,… Klap op de vuurpijl: ik moest en zou hem zijn thuisland laten zien, zijn roots; en op een gegeven moment begon De Grote Trek Noordwaards: alleen met de Volvo zou ik Nederland en Duitsland doorkruisen, om vervolgens te overnachten op de boot tussen Travemünde en Trelleborg, waarna ik de tweede helft van de reis in Zweden zou verder zetten. Een week later zou ik hetzelfde parcours in omgekeerde richting afleggen.

Om een lang verhaal kort te maken: de reis verliep vlekkeloos. Of toch bijna. De terugreis begon op de allereerste ijskoude dag van de herfst, de voorbode van de winter. Het had een voorteken moeten zijn, een waarschuwing voor wat me te wachten stond. Maar als doorgewinterd Westerling weigerde ik de tekenen te zien: ik had een plaats op de boot geboekt, dus ik zou de boot halen. Ik had een conferentie in België twee dagen later, dus ik zou in België geraken. En de Volvo liet mij toen nog in de waan.

Integendeel zelfs, het vertrek liep bijzonder voorspoedig: ondanks de arctische temperaturen waren de wegen droog en dus niet glad, en de auto gedroeg zich uitstekend. Tien Zweedse mijlen verder begon ik stilaan uit mijn droom te ontwaken: sneeuw. Veel sneeuw. Na (of beter gezegd tijdens) de eerste stop begonnen de problemen: de starter liet het afweten.

Systematisch denken is in een dergelijke toestand van verkrampte denkpatronen onmogelijk, maar in een onbewaakt ogenblik had ik toch even een flits van helderheid, toen ik besefte dat de starter misschien wel niet meer werkte, maar dat dit niet noodzakelijk betekent dat de motor zelf niet meer zou werken. Ik ging ogenblikkelijk op zoek naar iemand die bereid was om te helpen duwen, en even later was ik, opgelucht, weer onderweg: de duw-methode zou mij wel thuis krijgen. Al zag ik mijn helpers zich zichtbaar afvragen hoe idioot een mens moet zijn om zich met een 30 jaar oude auto meer dan 20 km van huis te wagen.

Na de laatste tankbeurt zette ik mij even aan de kant om te lunchen. Bij het vertrekken trok een krakend geluid onder de auto mijn aandacht, maar een uitwendige inspectie liet niets verdachts optekenen. Ik vertrok dus maar, met een licht gevoel van ongerustheid, maar ook in de wetenschap dat het nog maar 400km tot thuis was, en zolang zou de auto het nog wel volhouden. Ik was nog maar net vertrokken van de parking toen een hartverscheurend gekraak mij zuiver op instinct deed uitwijken naar de pechstrook en stoppen. Ik kroop verder naar de eerstvolgende parking, gelukkig niet te veel verder. Anderhalf uur later had een Duitse garagist de diagnose gesteld: een zwaar gemolesteerd wiellager rechts achteraan.

Het was het lager dat—jawel—ik drie weken eerder zelf geïnstalleerd had. Wat we zelf doen, doen we toch beter, of niet soms? Het lager-lijk was al in zulke staat van ontbinding dat de oorzaak van het vastlopen niet echt meer vastgesteld kon worden, maar “es war kein Fett mehr drin” doet wel één en ander vermoeden… Nodeloos te zeggen dat het vertrouwen in mijzelf als garagist een serieuze knauw gekregen had.